Purmerend – Een zorgverlener die van de burgemeester van Purmerend een dwangsom van €25.000 opgelegd kreeg na de vondst van drugs in een verhuurde woning, hoeft uiteindelijk slechts €6.250 te betalen. De rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de gemeente onvoldoende rekening heeft gehouden met de inspanningen die de organisatie had geleverd om nieuwe overtredingen te voorkomen.
De zaak draait om een organisatie die woonruimte verhuurt aan jongeren en daarbij ambulante begeleiding biedt. In augustus 2024 werden in een van de woningen drugs aangetroffen. Naar aanleiding daarvan legde de burgemeester op 7 oktober 2024 een zogenoemde last onder dwangsom op. Daarbij werd bepaald dat de organisatie een eenmalige dwangsom van €25.000 zou moeten betalen als opnieuw een overtreding van de Opiumwet zou worden vastgesteld in een woning die door de organisatie werd verhuurd.
Enkele maanden later, op 22 januari 2025, trof de politie opnieuw een handelshoeveelheid drugs aan in een woning van dezelfde organisatie in Purmerend. De burgemeester besloot daarop de volledige dwangsom van €25.000 in te vorderen.
Zorgverlener: cliënt handelde buiten ons zicht
De zorgverlener verzette zich tegen dat besluit en stelde dat zij niet verwijtbaar had gehandeld. Volgens de organisatie waren de drugs niet van haarzelf en faciliteerde zij geen drugshandel. De overtreding zou zijn veroorzaakt door een cliënt die zich buiten het zicht van de begeleiders schuldig had gemaakt aan verboden activiteiten.
De organisatie benadrukte dat zij intensieve ambulante begeleiding bood en dat kamers van cliënten meerdere keren per week werden gecontroleerd. Tegelijkertijd wees zij erop dat hulpverleners niet beschikken over de bevoegdheden van politie of gemeente. Wanneer een cliënt een kamer afsluit of zaken verborgen houdt, zijn de mogelijkheden om toezicht te houden beperkt.
Volgens de zorgverlener was daarom niet zij, maar de betreffende cliënt de daadwerkelijke overtreder.
Daarnaast voerde de organisatie aan dat de woning inmiddels was opgezegd en dat de zeven jongeren die daar verbleven individueel elders zouden worden ondergebracht. Daarmee zou volgens haar het risico op herhaling zijn weggenomen.
Vrees voor faillissement
De zorgverlener stelde verder dat een dwangsom van €25.000 buiten proportie was. Volgens de organisatie zou het innen van dat bedrag grote gevolgen hebben voor de continuïteit van de zorgverlening.
In de procedure waarschuwde zij dat de dwangsom kon leiden tot het stopzetten van zorgactiviteiten en zelfs tot een faillissement. Ook uitte de organisatie kritiek op het gemeentelijke beleid. Volgens haar worden zorgverleners verantwoordelijk gehouden voor gedrag waarop zij slechts beperkt invloed hebben.
De organisatie stelde dat gemeenten op deze manier hun eigen zorgverantwoordelijkheid afwentelen op individuele hulpverleners. Ook werd aangevoerd dat vergelijkbare incidenten volgens haar eveneens voorkomen binnen gemeentelijke instellingen, zonder dat daar vergelijkbare bestuurlijke sancties op volgen.
Verder waarschuwde de zorgverlener dat dergelijke maatregelen ertoe kunnen leiden dat hulpverleners terughoudender worden met het begeleiden van cliënten met complexe problematiek, uit angst voor hoge financiële sancties.
Rechtbank: zorgverlener blijft verantwoordelijk
De rechtbank ging niet mee in het standpunt dat de organisatie helemaal geen verantwoordelijkheid droeg. Volgens de rechter kan een verhuurder of beheerder ook als overtreder worden aangemerkt wanneer in een verhuurde woning drugs worden aangetroffen.
Van verhuurders mag namelijk worden verwacht dat zij zich in zekere mate informeren over het gebruik van hun panden. Daarom bleef overeind dat sprake was van een overtreding en dat de burgemeester in beginsel bevoegd was een dwangsom in te vorderen.
Toch bijzondere omstandigheden
Op het punt van de hoogte van de invordering kreeg de zorgverlener echter wel gelijk.
De rechtbank stelde vast dat de organisatie na de eerdere drugsvondst diverse maatregelen had genomen. Uit overgelegde stukken bleek dat tussen november 2024 en januari 2025 frequent controles werden uitgevoerd bij een cliënt die bekend was vanwege eerdere overtredingen van de Opiumwet.
Tijdens de zitting lichtte de organisatie toe dat begeleiders bijna dagelijks aanwezig waren in de woning. Kamers werden gecontroleerd wanneer dat mogelijk was, maar hulpverleners konden niet zomaar afgesloten ruimtes betreden.
Ook keek de rechtbank naar de omstandigheden waaronder de drugs werden gevonden. Volgens de bestuurlijke rapportage lagen de verdovende middelen verborgen in een kluis die was opgeborgen in een tas naast de voordeur. De drugs lagen daarmee niet zichtbaar in de woning.
De rechter achtte het daarom niet vanzelfsprekend dat de zorgverlener van de aanwezigheid van de drugs op de hoogte had moeten zijn. Bovendien kon niet worden uitgesloten dat de drugs daar pas kort voor de politiecontrole waren neergelegd.
Gemeente had moeten matigen
Volgens de rechtbank had de burgemeester meer rekening moeten houden met de bijzondere positie van de organisatie als zorgverlener. De rechter vond dat de organisatie aantoonbaar inspanningen had geleverd om herhaling te voorkomen.
Hoewel de rechtbank opmerkte dat mogelijk nog verdergaande maatregelen denkbaar waren geweest, vond zij een invordering van het volledige bedrag van €25.000 niet evenredig.
Daarom vernietigde de rechtbank het besluit van de burgemeester en stelde zij zelf een lager bedrag vast. De zorgverlener moet uiteindelijk €6.250 betalen, een kwart van de oorspronkelijk opgelegde dwangsom.
Daarnaast moet de gemeente Purmerend het betaalde griffierecht van €385 aan de organisatie vergoeden. Tegen de uitspraak kan nog hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


